Niet lang nadat Paulus gestorven was heeft men zijn brieven al
gebundeld en werden ze ook gelezen in gemeenschappen waaraan hij
ze niet had geschreven. Dat blijkt uit de tweede Petrusbrief
(3,15-16), die ook aanstreept dat er "een en ander in staat dat
moeilijk te begrijpen is". Het "wordt door onwetende en
onstandvastige mensen verdraaid, tot hun eigen ondergang". Als
dit toen al het geval was, is het zeker waar voor hedendaagse
lezers. We weten er niet goed weg mee. Wellicht is het een van
de redenen waarom men de uittreksels uit de brieven die in het
missaal als tweede lezing van de zondagen zijn opgenomen
dikwijls overslaat en er zelden over die lezingen wordt
gepreekt. Het Paulusjaar is een gelegenheid om ze de aandacht te
geven die ze verdienen.
Dit essay is bedoeld als preekhulp. Met het oog hierop probeert
het voldoende inzicht te geven in de manier waarop Paulus zijn
roeping als apostel heeft opgevat en 'zijn' evangelie heeft
verkondigd. Het bespreekt niet alle brieven, maar beperkt zich
goeddeels tot de brieven waaruit in het liturgisch B-jaar wordt
gelezen en de passages die uit die brieven op de zondagen en
grote feestdagen worden gelezen. U zult dus weinig vernemen over
de grote leerstellige brieven, aan de Romeinen en aan de Galaten,
en de daarin behandelde thema's.
§ 1. 'Saulus, ook Paulus genoemd'
1. Paulus was ongeveer 10 jaar jonger dan
Jezus. Hij heeft hem niet persoonlijk gekend, maar hij zal wel
over hem gehoord hebben toen hij in Jeruzalem als Farizeeër werd
opgeleid. Hij was een fervente Farizeeër. Aan de Galaten (1,14)
schreef hij: 'Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na
dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor
de tradities van ons voorgeslacht." Toen werd hij nog bij zijn
Joodse naam, Saulus, genoemd, maar zeer waarschijnlijk droeg hij
ook al de Latijns/Griekse naam Paulus. Het is niet juist wat
vaak wordt gedacht, dat hij zich nl. de nieuwe naam Paulus heeft
gegeven na zijn 'bekering' of van de christenen heeft gekregen.
In de Handelingen der apostelen wordt de naam Saulus gebruikt,
tot in het verhaal over de gebeurtenissen op Cyprus. Als Saulus
en Barnabas door de Romeinse proconsul worden geroepen, spreekt
de auteur over 'Saulus die ook bekendstond als Paulus' (13,9) en
in het vervolg van zijn verhaal heeft hij het altijd over
Paulus. Een afdoende verklaring voor deze naamsverandering is
nergens te vinden. Waarschijnlijk is ze bedoeld, zeggen sommige
commentaren, om het begin van Paulus' optreden in het 'heidense'
milieu te markeren (zie bv. Horell, p. 25). Dit zou
overeenstemmen met het feit dat Paulus zelf in zijn brieven
altijd zijn niet-Joodse naam gebruikt, waarmee hij dan
uitdrukking geeft aan de essentie van zijn 'roeping'.
2. 'Bekering' en roeping' zijn de woorden die
men gebruikt om de radicale ommekeer te kenmerken die door de 'Damascuservaring'
in het leven van Paulus is bewerkt. Wat hem op de weg naar
Damascus is overkomen, wordt in Handelingen drie keren verteld.
De eerste keer door de auteur (9,1-22), met veel details. De
andere twee keren (22,6-16 en 26,12-18) laat hij het Paulus zelf
vertellen. Historisch volledig betrouwbaar zijn deze verhalen
niet. Veel elementen mag men op rekening van "Lucas'
vertelkunst" schrijven (Delobel, p. 46). Paulus zelf beschrijft
in zijn brief aan de Galaten (1,15-16) zeer beknopt en sober wat
hem onderweg naar Damascus is overkomen. "Toen besloot God, die
mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij heeft
geroepen, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de
heidenen zou verkondigen" (Galaten 1,15-16). Hij was de laatste,
schrijft hij in 1 Korintiërs 15,3-8, na de apostelen en vele
anderen, die de verrezen Christus aan hem heeft zien
verschijnen. En aan de Filippenzen (3,12) dat hij "door Christus
Jezus gegrepen" is.
'Bekering' is een misleidend woord. Paulus
was geen zondaar. Zijn vervolging van de christenen was
gemotiveerd door zijn oprechte Joodse overtuiging. Hij heeft ook
zijn Joods geloof niet ingewisseld voor een andere godsdienst.
Hij is door God geroepen om een nieuwe opdracht uit te voeren.
Dat betekende voor hem een bekering tot een nieuw leven (zie
Horrell, p. 27). Lucas beschrijft omstandig waarin de roeping
van Paulus bestond. Toen Christus hem verscheen, zei hij: "Ik
ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar,
opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien... (Ik zend je
uit naar) de heidenen, om hun de ogen te openen, zodat ze zich
van de duisternis naar het licht keren, en van de macht van de
Satan naar God" (Handelingen 26,16-18).
§ 2. Het evangelie van Paulus
1. Er zijn goede redenen om Paulus de tweede
(sommigen zeggen ten onrechte de eigenlijke) stichter van het
christendom te noemen. Zeer vroeg al heeft hij een aantal
christelijke kerken buiten de grenzen van Israël, op 'heidense'
bodem, gesticht. Zijn brieven aan een aantal kerken zijn de
oudste christelijke geschriften waarover we beschikken. Het
oudste evangelie, dat van Marcus, is ongeveer 20 jaar jonger en
weerspiegelt een verdere fase in de evolutie van de
Jezusbeweging. Uit de brieven kunnen we opmaken hoe Paulus het
stempel van 'zijn' evangelie heeft gedrukt op de kerken waaraan
ze geadresseerd zijn. Over zijn evangelie schrijft hij dat het
"niet door mensen is bedacht" en dat hij het ook niet "van
mensen heeft ontvangen of geleerd", maar hem rechtstreeks door
Christus is geopenbaard (Galaten 1,11-12; gelezen op 12de zondag
C-jaar). Dus het evangelie niet alleen over maar, in de
letterlijke zin van het woord, van Jezus Christus.
2. De essentie van dit evangelie is in één
zin samen te vatten. Christus heeft door zijn kruisdood en
opstanding uit het graf de mensen bevrijd en uit kwaad en zonde
gered. Daarop is het hele christelijk leven gegrondvest.
Christenen zijn in Christus herboren tot nieuwe mensen. Ze
moeten de oude mens en zijn leefwijze uittrekken, nu ze door het
geloof en het doopsel "met Christus omkleed" zijn. In de
gemeenschap van zulke herboren mensen bestaat er geen verschil
meer tussen Joden en Grieken, slaven en vrije mensen, mannen en
vrouwen. Ze zijn "allen één in Christus Jezus" (Galaten
3,27-28).
Christenen leven in de overtuiging dat ze hun
heil niet kunnen bereiken door hun eigen prestaties in strikte
naleving van de wet, maar dat het hun door Gods genade wordt
geschonken. Uit kracht van hun geloof kunnen ze leven als vrije
mensen: bevrijd van alles wat hen bindt aan zichzelf en alle
mogelijke afgoden, bevrijd van de waan hun eigen gerechtigheid
te bewerken. Voor Paulus is die vrijheid essentieel."Waar de
Geest van de Heer is, daar is vrijheid" (2 Korintiërs 3,17). "U
bent geroepen om vrij te zijn", schrijft hij aan de Galaten
(5,13). Hij voegt er wel een waarschuwing aan toe. "Misbruik de
vrijheid niet als voorwendsel om uw zelfzucht in te volgen, maar
dien elkaar in liefde." Hij legt een aparte nadruk op de
vrijheid van het christelijk geweten: de vrijheid om alles te
onderzoeken en het goede te behouden (1 Tessalonicenzen 5,21).
Die vrijheid laten ze zich niet ontnemen en gunnen ze aan ieder
ander. "Een mens die de Geest bezit, kan alles beoordelen en
zelf wordt hij door niemand beoordeeld" (1 Korintiërs 2,15).
Maar geen mens kan zich een oordeel aanmatigen over het geweten
van iemand anders (Romeinen 14,4).
3. Een christelijk leven is een leven
'volgens de Geest' die in iedere gelovige woont. Christenen
leven nu eenmaal 'in het vlees', omdat ze mensen zijn, maar de
Geest geeft hun het vermogen om niet 'volgens het vlees' te
leven: niet toe te geven aan de zwakheden en de zelfzucht van
hun menselijke natuur. "De zelfzucht (vertaling van 'het vlees')
begeert tegen de Geest en de Geest tegen de zelfzucht... Als de
Geest ons leven leidt, laten we dan de richting volgen die de
Geest ons wijst" (Galaten 5,17.25).
De Geest stuurt de kerk via de brede
verscheidenheid van de gaven die hij uitdeelt aan de gelovigen
van elke gemeenschap. Paulus gebruikt het beeld 'lichaam van
Christus' om duidelijk te maken hoe een gemeenschap is opgebouwd
en zich ontwikkelt. "In iedereen is de Geest zichtbaar aan het
werk, ten bate van de gemeenschap" (1 Korintiërs 12,7; gelezen
op Pinksteren). Door de ontplooiing van zijn of haar eigen gaven
en talenten die hij of zij van de Geest ontvangt, draagt
iedereen bij tot de groei en bloei van de hele gemeenschap.
§ 3. Christologie
1. Moeten we aannemen dat Christus volgens
het evangelie dat aan Paulus geopenbaard is, God is? Er bestaat
hierover discussie onder de exegeten. Een sleuteltekst is de
bekende Christushymne (Filippenzen 2,6-11; gelezen op Palmzondag
en 26ste zondag A). Ze beschrijft de levensloop van Christus.
Hij "bestond in goddelijke majesteit", zeggen oudere
vertalingen. De NBV: hij "had de gestalte van God". Dit wordt
verschillend begrepen. Men kan er een 'hoge' christologie in
lezen, zoals in het Credo van Nicea. Christus is "vóór alle
tijden geboren uit de Vader" en "één in wezen met de Vader".
Maar een andere lezing lijkt meer voor de hand te liggen. Ze
steunt op de tegenstelling tussen Christus en Adam die men
elders in de brieven aantreft (zie vooral 1 Korintiërs
15,45-47). Adam, geschapen als beeld van God, heeft gezondigd
door Gods gelijke te willen worden. Christus heeft (letterlijk
vertaald) naar "zijn gelijkheid aan God niet gegrepen als een
prooi die hij wilde veroveren". Hij deed er afstand van en heeft
als mens het bestaan van een gehoorzame slaa
f geleid. Daarom
heeft God hem hoog verheven. Daarom ook belijden alle gelovigen:
'Jezus Christus is de Heer'.
Ook Romeinen 9,5 wordt op twee manieren
gelezen. In de NBV wordt een verschil gemaakt tussen Christus en
God. "... Het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit
Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij
geprezen tot in eeuwigheid." De andere lezing kiest voor een
'hoge' christologie door een komma te plaatsen achter
'voortgekomen': "... waaruit Christus is voortgekomen,
God die boven alles verheven is, geprezen tot in eeuwigheid."
2. Zij die opteren voor een 'lage'
christologie leggen de nadruk op het verschil dat Paulus
herhaalde keren maakt tussen God en Christus. Bijvoorbeeld:
"Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw
en God het hoofd van Christus" (1 Korintiërs 11,3). In Romeinen
1,3-4) noemt hij Christus "een mens voortgekomen uit het
nageslacht van David, aangewezen als Zoon van God en door de
heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus onze
Heer, opstond uit de dood." 'Zoon van God' betekent bij Paulus
(nog) niet de tweede persoon van de drie-ene God. 'Zoon van God'
worden in de bijbel het volk en de koningen genoemd, en ook
mensen met een bijzondere opdracht. "In de Joodse traditie gaat
het niet om 'voortbrengen door God..., maar veeleer om
uitverkiezing en om gehoorzaamheid in het uitvoeren van de
toevertrouwde opdracht" (Delobel, p. 65).
Uit de Christushymne in de
Kolossenzenbrief (1,15-20) spreekt zeer duidelijk een 'hoge'
christologie', maar ongeveer iedereen neemt nu aan dat hij
niet door Paulus geschreven is en een verder stadium in het
christelijke denken weerspiegelt. Verderop wordt hierover
meer gezegd.
§ 4. De brieven aan de Korintiërs
Er bestaat nu vrijwel algemene eensgezindheid
over dat Paulus de auteur is van maar zeven van de brieven die op
zijn naam staan: de eerste brief aan de Tessalonicenzen, de twee
brieven aan de Korintiërs, de brief aan de Galaten en de
Romeinen en het briefje aan Filemon. De andere zijn geschreven
in zijn geest en vaak in zijn stijl, en van een latere datum. In
het B-jaar wordt vooral gelezen uit de Korintiërsbrieven en de
Efeziërsbrief. Daarom krijgen ze hier de meeste aandacht.
Korinte was in de tijd van Paulus een van de
belangrijkste metropolen van het Romeins imperium. Volgens
Handelingen zou Paulus vanuit Athene naar Korinte gereisd zijn
en er anderhalf jaar verbleven hebben. De kerk in deze
kosmopolitische stad is een van zijn belangrijkste stichtingen
geworden. Hij heeft er veel problemen mee gehad.
1.1. "Aan de gemeente van God in Korinte"
schrijft Paulus in het adres van zijn twee brieven. Dat is
opmerkelijk. 'Gemeente van God' was de titel die werd gegeven
aan de eerste christelijke gemeenschap, die van Jeruzalem. Door
de Korintiërs met die titel aan te spreken neemt hij al
onmiddellijk stelling in een probleem dat de gemeenschap
overhoop zette. Hij beschrijft het aan het begin van de eerste
brief (1,10-17). Voor hedendaagse lezers is het goed herkenbaar:
de interne verdeeldheid en de rivaliteit tussen verschillende
denkrichtingen of 'scholen' die zich elk op een eigen
'leermeester' beroepen. Vandaag zouden wij zeggen: aanhangers
van een gezaghebbende conservatieve, 'rechtse' en van een
'linkse' theoloog.
Het standpunt van Paulus is duidelijk: er mag
onder u geen verdeeldheid heersen, want u ook bent 'gemeente van
God', door God samengeroepen en één met de andere kerken in het
ene gemeenschappelijke christelijk geloof. Hij schrijft het ook
aan de eerder gestichte kerk van Filippi (2,2-4; gelezen op
26ste zondag A). "Maak me volmaakt gelukkig door eensgezind te
zijn... Geef niet toe aan partijzucht en eigenwaan, maar acht in
alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf."
1.2. 'Eigenwaan' kan men lezen als een
allusie op de zelfgenoegzame rationele 'wijsheid' (van Grieken)
die zweert bij het autonome denken. Paulus gaat er zeer beslist
tegen in. Het meest bekend is de gebalde uitspraak: "De Joden
vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij
verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend
en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden
als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, want het dwaze
van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker
dan mensen" (1,22-25: gelezen op 3de vastenzondag B). Je komt
niet tot het christelijk geloof door eigenwijs te verstand te
gebruiken of door wonderlijke dingen die je ziet gebeuren, maar
door je over te geven aan de ergerlijke 'dwaasheid van het
kruis' en kracht van God die zich manifesteert in Christus'
opstanding uit de dood.
Commentaren zien in de beslissing van Paulus
om aan de Korintiërs "geen andere kennis te brengen dan die over
Christus - de gekruisigde", die hen niet moest overtuigen "door
menselijke wijsheid" (2,2.4) een conclusie uit zijn mislukte
poging om de Atheners langs filosofische weg tot aanvaarding van
het christelijk evangelie te brengen (zie Handelingen 17,22-33).
Daar "werd hij zich bewust van diepe kloof tussen de filosofen
en het evangelie" (Saffrey, p. 82). Maar ze beklemtonen dat men
Paulus zou verraden door het geloof tegen te stellen aan het
rationele denken en de filosofie geen eigen rol toe te kennen in
de rationele verheldering van het geloof. Je moet je verstand
niet op nul zetten om te kunnen geloven.
1.3. Een van de lastige vragen waarover de
Korintiërs het advies van Paulus wilden krijgen betrof het
huwelijk en de positie van de vrouw. Twee op elkaar aansluitende
fragmenten uit zijn antwoord (hoofdstuk 7) worden in het B-jaar
op de 3de en 4de zondag gelezen (7,29-31.32-36). Voor
hedendaagse lezers zijn sommige van zijn uitspraken, zeker als
ze uit hun verband worden losgemaakt, zeer moeilijk te verteren.
Ze hebben Paulus de onverdiende faam van 'vrouwenhater' bezorgd.
Men kan zijn standpunten alleen correct
begrijpen in het licht van zijn overtuiging (en die van zijn
christelijke tijdgenoten) dat het einde der tijden voor de deur
stond. "Er rest maar weinig tijd... Laat daarom ieder die in
deze wereld leeft, zo leven alsof ze voor hem niet meer van
belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder"
(7,29.31). Vandaar zijn algemeen advies: "Laat ieder blijven wat
hij was toen God hem riep" (7,17). Zelfs een slaaf die christen
is geworden blijft het best slaaf, ook als hij een vrij man kan
worden. Vandaar ook zijn voorkeur voor het ongehuwde leven, wat
helemaal niet wil zeggen dat hij het gehuwde leven niet hoog
waardeerde. Maar: "Ik zou willen dat u zonder zorgen was"
(7,32). Want wie niet getrouwd is kan zich helemaal richten op
de Heer die straks terugkomt, terwijl getrouwde mannen en
vrouwen zorg moeten besteden aan elkaar en aan aardse dingen. In
een hedendaagse huwelijksethiek, waarin dit
kortetermijnperspectief geen rol speelt, moeten de adviezen van
Paulus uiteraard op een andere manier begrepen worden.
1.4. Wat de positie van de vrouw in en buiten
het huwelijk betreft, moet men om te beginnen het volle pond
geven aan de stelling van Paulus dat mannen en vrouwen in de
christelijke gemeenschap zonder meer elkaars gelijken zijn. (Zie
hierboven, § 2,2). In zijn tijd een revolutionaire stelling,
maar niet in maatschappelijk en politiek opzicht. In dat opzicht
bleef Paulus gewoon kind van zijn tijd.
Haaks op zijn egalitaire stelling staat voor
hem de evidentie dat "de man het hoofd van de vrouw" is (11,3).
Volgens Delobel (p. 119) moet 'hoofd' niet begrepen worden als
'baas' maar heeft het de betekenis van 'oorsprong'. Volgens het
scheppingsverhaal is Eva voortgekomen uit een rib van Adam. "De
vrouw is geschapen omwille van de man" (11,9). In zijn
christelijke optiek benadrukt Paulus dat man en vrouw in hun
gehuwde leven niets zijn zonder elkaar. Dankzij elkaar zijn ze
wie ze zijn. Maar niet elkaars gelijken zoals wij dit nu
verstaan. De ondergeschikte positie van de vrouw in Paulus' tijd
blijkt ook uit zijn richtlijn dat vrouwen in de bijeenkomsten
van christenen moeten zwijgen. "Ze moeten ondergeschikt blijven,
zoals ook in de wet staat" (14,34).
Het mag wel onderstreept worden dat de faam
van Paulus als 'vrouwenhater' vooral ook wordt tegengesproken
door het feit dat hij er geen probleem van maakte dat vrouwen
tot zijn medewerkers behoorden. In Romeinen 16,1 bv. spreekt hij
over de diakones Febe en in 16,7 noemt hij Junias een apostel
die veel aanzien geniet.
Dat christenen van de Paulusgemeenten
dachten zoals hun 'profane' tijdgenoten, blijkt zeer
duidelijk uit de zgn. Haustafeln (gezinsregels) in de Kolossenzen- en Efesiërsbrief. Dit komt
verderop ter sprake.
1.5. Paulus heeft zich in Korinte hard moeten
verdedigen tegen diegenen die weigerden hem als apostel te
erkennen. Dat lezen we vooral in de tweede brief. In de eerste
brief (hoofdstuk 9) komt hij op voor zijn rechten en zijn
vrijheid als apostel. Belangwekkend in dit hoofdstuk is wat hij
schrijft over de verloning waarop een apostel recht heeft
(9,16-23; gelezen op 5de zondag B-jaar).
Zijn tegenstanders zaaien twijfel over de
betrouwbaarheid van zijn optreden omdat hij zich niet gedraagt
zoals de andere apostelen en missionarissen. Hij neemt geen
christelijke vrouw mee op zijn tochten en leeft niet op kosten
van de gemeenschap, hoewel hij daar het volste recht op heeft.
Met een hele reeks argumenten verdedigt hij
het recht van geloofsverkondigers om voor hun werk vergoed te
worden (9,6-14). Alleen al het gezond verstand zegt dat iedereen
die werkt recht heeft op een behoorlijk loon, en het staat ook
in de wet van Mozes en ook Jezus heeft het gezegd. "Als wij
geestelijke zaken onder u hebben gezaaid, is het dan te veel
gevraagd dat we materiële zaken van u oogsten?"
Van zijn rechten heeft hij nooit gebruik
gemaakt, schrijft Paulus. Maar in de Filippenzenbrief (4,14-18)
vernemen we dat hij vanuit die kerk verschillende keren
financiële steun heeft gekregen en aanvaard, in het bijzonder
van de rijke zakenvrouw Lydia, die hem ook bij haar heeft laten
inwonen (zie Handelingen 16,15). In Korinte heeft hij zijn
intrek genomen bij een bekeerd Joods echtpaar, die zoals hij van
beroep leerbewerkers (tentenmakers) waren. Hij heeft in hun
dienst gewerkt en kon in Korinte van zijn arbeidsinkomen leven
(zie Handelingen 18,2-3). "We zwoegen voor ons eigen brood",
schrijft hij (4,12). In de eerste Tessalonicenzenbrief (2,9)
herinnert hij zijn lezers eraan hoe hij zich heeft ingezet en
ingespannen en dag en nacht gewerkt heeft om niemand van hen tot
last te zijn. In de tweede brief (bijna zeker niet door hemzelf
geschreven) wordt dit herhaald, met de toevoeging dat zijn
lezers het voorbeeld van Paulus moeten navolgen. Hier staat de
beroemd geworden slagzin 'Wie niet wil werken zal ook niet eten
(3,7-12; gelezen op 33ste zondag C-jaar).
Van zijn recht op materiële vergoeding voor
zijn geestelijk werk heeft Paulus niet alleen afstand gedaan om
niemand tot last te zijn. Zijn voornaamste beweegreden was zijn
vrijheid die hij veilig wilde stellen. Zijn grote zorg was dat
hij in zijn werk niemand naar de ogen moest zien. Daarin ziet
hij zijn beloning. Hij drukt het uit in een paradox: zijn loon
is dat hij het evangelie verkondigt zonder een beloning te vragen
(9,18). Een andere paradox: als vrij man heeft hij zich tot
slaaf van iedereen gemaakt. Met grote soepelheid past zich aan,
naargelang van het milieu waarin hij komt, nu eens aan de Joden,
dan weer aan de Grieken en in andere gevallen aan de zwakke
gelovigen, om zo veel mogelijk mensen voor zijn evangelie te
kunnen winnen. Dat is waar het hem als apostel om te doen is.
Vandaag nog kunnen priesters en predikanten
aan Paulus een voorbeeld nemen. Ze moeten vasthouden aan
hun recht op een
vergoeding voor hun kerkelijk dienstwerk. Maar ze
dienen er vooral over te waken dat de vrijheid van hun apostolaat niet
in het gedrang komt en dat ze hun broodheren nergens naar de
mond moeten praten. In België staan alle bedienaren van de
katholieke eredienst, tot en met de parochieassistenten, op de
loonlijst van het Ministerie van Justitie en wordt hun vrijheid
van meningsuiting zoals die van alle burgers door de wet
gegarandeerd. Maar zonder het leger van onbezoldigde
vrijwilligers in de kerk zou ze op veel plaatsen helemaal
verschrompelen. Er zijn er ongetwijfeld die zoals Paulus hun
beloning zien in het feit dat ze het evangelie tot leven brengen
zonder ervoor beloond te worden. Dit sterke punt heeft echter
een zwakke keerzijde. Vrijwilligers kunnen op elk moment om welke
reden ook hun dienst opzeggen. Die reden mag in elk geval niet
zijn dat hun vrijheid wordt beknot en al te zeer aan banden
gelegd. Wijs zou ook zijn dat onmisbare vrijwilligers een
vergoeding kunnen krijgen uit eigen kerkelijke fondsen.
1.6. Het was Paulus ter ore gekomen dat er in
Korinte christenen waren die niet geloofde in de verrijzenis.
Hij heeft zich veel moeite gegeven om hen van dit ongeloof af te
helpen. (Drie onderdelen van zijn uiteenzetting worden op de 6de
tot de 8ste zondag van het C-jaar gelezen.)
Eerst gaat Paulus recht op de man af
(15,12-20). Zij die beweren dat de doden niet zullen verrijzen,
kunnen ook niet aannemen dat Christus uit de dood is opgewekt.
Dan moeten ze mij voor een leugenaar houden en is voor hen het
christelijk geloof volkomen zinloos. Als ze gelijk zouden
hebben, kunnen christenen alleen voor dit leven op Christus
hopen en zijn ze de meest beklagenswaardige mensen.
Voor Grieken zeer moeilijk te aanvaarden was
de opwekking van de hele mens, zijn stoffelijk lichaam
inbegrepen, uit de dood. Ze waren gewend te denken in de termen
van het dualisme van stof en geest. Paulus pakt die moeilijkheid
aan door zijn lezers erop te wijzen dat er veel verschillende
soorten lichamen bestaan (15,35-49). Uit graankorrels die in de
grond sterven schiet een gewas op dat een ander soort lichaam
is. Elk aards lichaam is anders. Zoals dat van een vis en een
vogel is het lichaam van mensen enig in zijn soort. En er bestaan ook
hemellichamen, waarvan de schittering veel feller is dan die van
een aards lichaam. Als nu de doden opstaan, gebeurt er iets
zoals met de graankorrel en het gewas dat er uit opschiet. Uit
het aardse lichaam dat sterft, wordt een geestelijk lichaam
opgewekt. "Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in
onvergankelijke vorm opgewekt" (15,42). "Zoals we nu de gestalte
van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte
van de hemelse mens hebben" (15,49).
Deze redenering van Paulus voor christenen
vandaag nog een verhelderende hulp zijn om met overtuiging het
slotartikel van het Credo te bidden: "Ik geloof in de
verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven."
1.6.1. Paulus betrekt in de verrijzenis van de
mensen met hun lichaam en geest ook de verheerlijking van de hele
aarde. In zijn brieven vindt men nergens een beschrijving van de
vreselijke rampen die volgens de synoptische evangelies onze aarde
zullen treffen als het einde van de geschiedenis aanbreekt. In
Romeinen 8,18-25 (gelezen op 15de zondag A-jaar) beschrijft hij
hoe de hele schepping zal delen in het verrezen bestaan van de
mensen. "Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in
barensweeën zucht en lijdt." Maar ook zij "zal worden bevrijd uit
de slavernij van de vergankelijk en zal delen in de vrijheid en
luister die Gods kinderen geschonken wordt."
2. Uit de tweede brief aan de Korintiërs wordt
in het B-jaar gedurende acht opeenvolgende zondagen (7-14)
gelezen. In deze brief staan de wederwaardigheden van het conflict
met zijn tegenstrevers in die kerk centraal (zie hierboven, 1.5),
maar spreekt hij vooral een verzoenende taal. Hij spoort de
Korintiërs ook aan om vrijgevig bij te dragen tot zijn
geldinzameling ten bate van de armlastige kerk van Jeruzalem. In
de gekozen uittreksels valt daar weinig van te bespeuren, maar het
kan verhelderend zijn ze tegen deze concrete achtergrond te situeren.
2.1.
Het grote thema van het eerste deel van de brief is het
apostelambt en de manier waarop Paulus het opvat. Hij begint met
zichzelf vrij te pleiten van elke dubbelzinnigheid of
onoprechtheid. Jezus Christus die de door de apostelen wordt
verkondigd was niet iemand die ja zei en neen bedoelde. Hij
belichaamt het 'ja' van God die trouw is aan zijn beloften. Zo
bedoelen Paulus en zijn medewerkers ook ja als ze ja zeggen en
worden hun woorden door de gelovigen bekrachtigd als ze hun
gebed afsluiten met 'amen' (1,18-22; 7de zondag). "Wij zijn niet
als veel anderen, die aan het woord van God willen verdienen",
schrijft hij, en aanbevelingsbrieven hebben we niet nodig. Hij
vleit de Korintiërs: u bent mijn aanbevelingsbrief. Iedereen die
uw gemeenschap bezoekt, kan uit haar bloeiend leven aflezen dat
een apostel die dit bewerkt heeft gezag en vertrouwen verdient.
Maar dat is niet zijn persoonlijke verdienste. Het is te danken
aan de Geest van de levende God die door Paulus' prediking
mensen tot waarachtig leven roept en in leven houdt. Hij predikt
niet de letter van de wet, maar haar leven schenkende geest
(2,17-3,1-6; 8ste zondag).
2.2.
Leven en werken als apostel is geen sinecure, maar Paulus geeft
het niet op. Hij beschrijft dit in een aantal paradoxen, en hij
besluit: "We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus
met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan
zichtbaar wordt." In de drie hoofdstukken waarin hij zijn
tegenstanders die hij 'schijnapostelen' noemt (11,13) verbaal te
lijf gaat, geeft Paulus een lange opsomming van alles wat hij in
de loop van zijn leven als apostel heeft moeten verduren
(11,23-33).
Het evangelie dat Paulus preekt is als een
schat in aarden potten, maar de potten breken niet. In de zwakke
mens die de apostel is openbaart zich de kracht van God en het
licht van zijn heerlijkheid. Hij die Jezus de Heer heeft
opgewekt zal ons allen uit de dood opwekken en bij hem thuis
doen komen (4,6-18; 9de en 10de zondag)
2.3.
Paulus heeft het dan verder over het christelijk leven dat zijn
voltooiing zal krijgen in de verrijzenis, "als onze aardse tent,
het lichaam waarin we wonen, wordt afgebroken" en we "van God
een eeuwige woning krijgen" (5,1). In de verwachting daarvan
leven christenen altijd vol goede moed. Zoals Paulus zelf zijn
de christenen ervan overtuigd dat Christus voor alle mensen is
gestorven. Ze leven daarom niet meer voor zichzelf, ze worden
gedreven door de liefde van Christus. Ze zijn een nieuwe
schepping geworden. Ze bekijken de wereld en de mensen voortaan
met heel andere ogen. Ze beoordelen niets of niemand meer
volgens de oude, louter menselijke maatstaven van het 'vlees'.
Ze hanteren de waardeschaal van de liefde. (5,6-10 en 14-17;
11de en 12de zondag)
2.4.
Als hij zijn geldinzameling voor Jeruzalem aanbeveelt, begint
Paulus weer - diplomatisch - met de Korintiërs te vleien. Ze
blinken uit in geloof, in kennis en welsprekendheid. De liefde,
ook voor hem, staat bij hen hoog in het vaandel geschreven.
Waarom zouden ze dan ook niet uitblinken in vrijgevigheid? Hij
verwijst naar het voorbeeld van Christus die rijk was maar
omwille van ons arm is geworden. Ze kunnen de kerk van Jeruzalem
helpen, maar misschien komt er een tijd dat zij arm zullen zijn
en door de kerk van Jeruzalem worden geholpen. De liefde maakt
zich ook waar in de onderlinge solidariteit. (8,7-15; 13de
zondag)
2.5.
Aan het einde van zijn lange tirade aan het adres van zijn
tegenstanders (12,7-10; 14de zondag) schrijft Paulus nog een
keer dat ze hem verplichten op zijn prestaties te pochen (12,1).
Hij wenst helemaal niet zijn eigen verdiensten in het licht te
stellen. Hij pocht nog het liefst op zijn zwakheid. Het is
dankzij de kracht van Christus dat hij kon doen wat hij gedaan
heeft.
Raadselachtig is 11,7, over "een doorn die
me in het vlees werd gestoken". Er is door commentaren
daarover veel gespeculeerd. Maar wat hij er ook mee bedoelt,
duidelijk is dat hij niet op eigen kracht maar door de kracht
van Gods genade slaagt in zijn taak van apostel.
2.6.
Preken over de tweede Korintiërsbrief is geen gemakkelijke zaak.
Het gaat om zeer tijd- situatiegebonden teksten met een
autobiografische inslag. Zondag na zondag erover preken zou
zinloos zijn, ook al omdat hun inhoud moeilijk naar vandaag toe
kan worden vertaald.
Een predikant kan wel één of enkele thema's uitkiezen, bv. de
verdachtmakingen en tegenslagen waarmee Paulus had af te rekenen
en de onoverwinnelijke kracht van Gods genade waardoor hij
overeind is gebleven. Het zal ook nodig zijn de besproken
teksten in hun ruimere context te situeren.
§ 5. De brief aan de Efesiërs en aan de
Kolossenzen
Hoewel Paulus de kerk van Efese heeft
gesticht en er alles samen ongeveer drie jaar heeft verbleven,
is het zogoed als zeker dat de brief aan die kerk niet door
hemzelf is geschreven. Hij vertoont op veel plaatsen een
duidelijke, bijna letterlijke overeenkomst met de
Kolossenzenbrief. Men neemt aan dat deze eerder is geschreven en
dat de auteur van de Efesiërsbrief hem als model heeft gebruikt.
Deze brief kan men beschouwen als "een soort
encycliek, bestemd voor verschillende kerken" (Schmidt, p. 147).
1. Uit de aanhef van de brief blijkt al dat
er een verdere ontwikkeling van het christelijke denken dan in
de authentieke Paulusbrieven aan het woord komt. De
gebruikelijke begroeting van de lezers wordt onmiddellijk
gevolgd door een Christushymne (1,3-14; gelezen op 15de zondag
B-jaar). Men kan ze lezen als een herwerkte versie van de hymne
in Kolossenzen 1,15-20. Ze bezingt ontwikkeling van Gods plan,
al ontworpen vóór de wereld bestond, om met en in Christus de
voltooiing van de geschiedenis tot stand te brengen.
Hier al blijkt ook het eigenaardige
wereldbeeld van de brief. De wereld bestaat niet drie maar
slechts twee verdiepingen: de aarde (er bestaat geen
onderwereld) en daarboven de hemel, ingedeeld in verschillende
sferen. In die hemelsferen woont niet alleen Christus, in de
onderste wonen de "heersers en machthebbers van de duisternis"
waartegen de mensen strijd moeten leveren (6,12). Maar Christus
heeft ze overwonnen en de mensen in zijn overwinning laten
delen, al moeten ze er nog altijd tegen blijven vechten. Met
Christus mee in de hemelsferen opgenomen, worden de christenen
gezegend met talrijke geestelijke zegeningen. Dit wereldbeeld
moet men voor ogen houden om de hymne goed te begrijpen.
De zegeningen die de christenen te beurt
vallen, worden in één Griekse lintwormzin (in de Nederlandse
vertaling opgesplitst in verschillende zinnen) beschreven. Ze
zijn voorbestemd om Gods kinderen te worden die 'heilig en
vlekkeloos' voor zijn aangezicht leven. Ze vernemen de
'boodschap van de waarheid', het evangelie van hun redding. Ze
mogen leven in de hoop op de definitieve voltooiing van de
geschiedenis.
In 1,9-10 merken we al een spoor van het
concept van de 'kosmische Christus' dat ontleend is aan de
Kolossenzenbrief. Het keert terug in het laatste deel van de
hymne (1,17-23, gelezen op Hemelvaartdag). Zetelend aan Gods
rechterhand, oefent Christus zijn heerschappij uit over alle
sferen van de hele kosmos. Het feest van de laatste zondag van
het liturgisch jaar ontleent daaraan zijn naam: 'Christus koning
van het heelal'.
1.1. Het staat explicieter in de
Christushymne van de Kolossenzenbrief 1,15-20 (gelezen op 34ste
zondag C-jaar). Het verschil met de hymne in de Fillipenzenbrief
(zie hierboven, § 3,1) is opvallend. "Christus had de gestalte
van God" wordt nu "in hem is alles geschapen, alles in de hemel
en alles op aarde", en "in hem heeft de volheid (van God) willen
wonen". Er treedt ook een verder ontwikkeld kerkbeeld naar
voren. Christus is "het hoofd van het lichaam, de kerk", d.i. de
ene, universele kerk. De authentieke Paulusbrieven spreken bijna
uitsluitend over de veelheid van de lokale kerken en hun
onderlinge relaties.
1.1.2. Als men over deze teksten preekt, zal
men ze moeten losmaken uit hun wereldbeeld, dat niet het onze
is. Zo kan ook de boodschap over de overwinning op kosmische
heersers machten en krachten op een geactualiseerde manier
vertaald worden. Dankzij de heerschappij van Christus zijn
mensen bevrijd en kunnen ze zich bevrijden van allerlei soorten
angst en vervreemding die hen in hun greep hebben.
2. Dat ook de christenen in de hemelsferen zijn opgenomen, wordt
beschreven in 2,4-10 (gelezen op 4de vastenzondag B-jaar) en
2,13-18 (16de zondag B-jaar). Vroeger waren ze door hun zonden
overgeleverd aan de dood. Nu zijn ze dankzij hun geloof door
Gods genade tot leven gewekt en nieuwe mensen geworden. Volgens
sommige commentaren zou 2,14-18 een vroegchristelijk vredeslied
zijn. "Christus is onze vrede" omdat hij de vijandschap heeft
opgeheven. Hij heeft de wet met zijn geboden die Joden en
heidenen (niet-Joden) van elkaar scheidde buiten werking heeft
gesteld. Hij heeft de muur van vijandschap tussen joden- en
heidenchristenen gesloopt. Dit verwijst naar de stenen
afsluiting op het tempelplein in Jeruzalem een ruimte afbakende
die was voorbehouden voor de Joden, met daarachter een ruimte
die ook voor heidenen toegankelijk was. Maar hij heeft vooral de
muur van vijandschap tussen Joden en heidenen samen (alle
mensen) t.o.v. God afgebroken en hen met God verzoend.
3. Uit de vrede en de verzoening die ze
danken aan Christus moeten christenen de ethische consequenties
trekken. In 4,1-6 (17de zondag B-jaar) worden ze aangemaand de
kracht van de vrede die hen samenbindt niet te laten verzwakken
en de eenheid te bewaren die de Geest hun geeft. In 4,17-24
(18de zondag B-jaar) gaat het over de ethiek van hun status van
'nieuwe mensen', in bewoordingen die nauw aansluiten bij
Kolossenzen 3,9-11 (18de zondag C-jaar). De oude mens die ze
waren, moeten ze uittrekken en zijn wijze van leven opgeven. Ze
moeten zich bekleden met de nieuwe mens en hun geest en denken
voortdurend vernieuwen.
Het beeld van 'uitkleden en aankleden' wordt
bij Paulus in verband gebracht met het doopsel. Zie Galaten
3,27. Wie zich in het doopwater laat onderdompelen, legt met
zijn kleren ook de oude mens af en rijst met Christus omkleed
als nieuwe mens uit het water op. Deze beeldspraak heeft
dezelfde inhoud als 'met Christus begraven worden en uit de dood
opstaan' om 'een nieuw leven te leiden' (Romeinen 6,3-4;
Kolossenzen 2,12).
3.1. Men kan hierover preken door de
toehoorders eraan te herinneren dat ze elk jaar met Pasen hun
doopbeloften hernieuwen. Dit wil zeggen dat ze telkens beloven
'nieuwe mensen' te willen worden die hun geest en hun denken
voortdurend in christelijke zin vernieuwen.
4. Wat de levenswijze van de 'nieuwe mens'
inhoudt, wordt gedetailleerd in de korte deugdencataloog en de
langere in Efesiërs 4,30-5,2 en Kolossenzen 3,12-15; 19de zondag
B-jaar en feest H. Familie). Zulke lijstjes staan ook in andere
Paulusbrieven, telkens in een eigen context. De vermaning in
Filippenzen 4,8-9 (27ste zondag A-jaar) weerspiegelt het morele
ideaal dat in de profane Griekse literatuur werd beschreven,
maar het wordt christelijk geduid: zijn lezers hebben kennen het
uit hun eigen traditie en Paulus heeft het hen geleerd en
voorgeleefd. Galaten 5,22-23 noemt de opgesomde deugden "de
vrucht van de Geest". Opmerkelijk is de liefde het eerst wordt
genoemd. Ook de lijst in Kolossenzen is geïnspireerd door
teksten van Griekse filosofen, maar helemaal christelijk
gestempeld. Ze culmineert in de vermaning: "Kleed u bovenal in
de liefde die de band van de volmaaktheid is" (3,14). Dit doet
denken aan de befaamde hymne aan de liefde in 1 Korintiërs 13.
Zonder de liefde verzinken alle andere deugden in het niets.
5. Aparte aandacht verdienen de huisregels in
Kolossenzen 3,18-25 en uitvoeriger in Efesiërs 5,15-6,9 (H.
Familie en 20ste zondag B-jaar). Bij moderne lezers, vooral
vrouwen maar ook mannen, zetten ze kwaad bloed. De bedenking dat
ze een weergave zijn de vanzelfsprekend geachte
gezinsverhoudingen in Paulus' tijd en nog lang daarna, en meer
bepaald van de bestaande huisregels in de Stoïcijnse filosofie,
kan de ergernis niet wegnemen. Integendeel zelfs, ze wordt nog
versterkt als men ze leest als een christelijke legitimering van
de bestaande 'heidense' verhoudingen en opvattingen. Anders
gezegd: van een nieuwe levenswijze van de 'nieuwe mensen' die
christenen zijn, valt er in die regels niets te bespeuren.
Maar zo mag men ze niet lezen. In sommige
commentaren wordt gesproken van een 'christelijke revolutie'. Ze
treedt aan het licht als men het accent legt waar het moet
liggen: op het radicaal nieuwe van de agapè, de
christelijke liefde die de erotiek en de seksualiteit overstijgt
en ook in de relatie tussen heren en slaven moet heersen. Toch
blijft het zo dat de regels geschreven zijn vanuit een mannelijk
(patriarchaal) gezichtspunt: vrouwen en slaven zijn
ondergeschikten. Moeilijk te vatten voor moderne lezers blijft
ook wat gezegd wordt over het 'grote mysterie' van de
huwelijksrelatie dat de auteur vergelijkt met de (bruids)verhouding
van Christus en de kerk. Preken hierover (bv. in kerkelijke
huwelijksvieringen) zal omzichtig en oordeelkundig moeten
gebeuren, wellicht nog het best door de nadruk te leggen op het
eigen karakter van de christelijke liefde, in de lijn van het
Johannesevangelie. "Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar
lief zoals ik jullie heb liefgehad" (13,34).
Geraadpleegde bronnen
Joël Delobel, Paulus. Een kennismaking. Halewijn,
Antwerpen 2008
Dichtbij is Uw woord. Brieven van Paulus (2 volumes). VBS,
Leuven z.j.
David G. Horrell, An Introducton to the Study of Paul.
Continuum, Londen 2000
Gérard Leclerc, Saint Paul. Pygmalion, Parijs 1997
H. D. Saffrey, Histoire de l'apôtre Paul. Le Cerf,
Parijs 1991
Peter Schmidt, In vrijheid, trouw en hoop. Altiora,
Averbode 1992